MarktPlaza

Karakter - Mr. J.M. van Stripriaan Luïcius

114x bekeken
1 jaar geleden geplaatst

Kenmerken

Conditie
Gebruikt
Levering
Verzenden
Verzendkosten
€ 3,65

Omschrijving

Paperback, uitgave 1930, 64 blz. Boekje heeft gebruikssporen. Verzendkosten (3,65 euro) zijn voor de koper. [E]

Voor inhoud zie foto's.

Dit boekje is goed bedoeld. Ook komen er voortreffelijke gezegden in voor. Zoo citeert de schrijver van Sir John Lubbock het volgende: ‘De rijke mensch, die gezond wil zijn, moet leven als een arm mensch’. Men weet dat de ‘heldenkeizer’ met goed gevolg die spreuk in toepassing heeft gebracht en tot in hoogen ouderdom flink en frisch is gebleven. Maar wat jongens met die wijsheid moeten aanvangen is mij niet bizonder duidelijk; ik althans zou het betreuren, wanneer jeugdige brooddronkenheid en uitgelatenheid voor de sobere leefwijze der hovelingen van Koningin Armoede moesten plaats maken.
‘Het is een treurige waarheid, zegt de Haagsche advokaat, dat van de duizend menschen slechts honderd weten wat karakter is, slechts tien karakter hebben en slechts een een goed karakter heeft’. Onze auteur maakt dus onderscheid tusschen een goed en een niet goed karakter. Het spraakgebruik geeft hem daartoe recht; immers het veroorlooft ons van het karakter van den duivel bij Milton of Vondelte gewagen.
In de eerste afdeeling van zijn boekje beproeft de auteur de vraag te beantwoorden: Wat is karakter? En dan zegt hij: ‘karakter staat tot den mensch als het roer staat tot een schip; het is ons levensroer op onze levenszee’.
Volkomen juist, maar die beeldspraak is al zeer misplaatst, nu wij een definitie verwachten.
Beter is de aanhef van de tweede alinea:
‘Een kenmerk van het karakter is de voortdurendheid. Niet ieder, die volhoudt, heeft karakter; maar ieder, die karakter heeft, houdt vol’. Wederom volkomen juist, maar nu zouden wij verwachten te hooren wat er bij het volhouden moet komen om ons het recht te geven van een karakter te spreken. Wij hooren het niet. De schrijver gaat verder met te zeggen: ‘De aanhouder wint’. Tot toelichting vertelt hij van een goudmijn, waaraan de eerste bezitter anderhalf jaar miljoenen besteedde, zonder iets te vinden. Die arme stakker, die denkelijk geen duiten meer had, verkocht haar voor ‘een kleinigheid.’ De nieuwe eigenaar liet verder graven en vond ‘den eersten dag’ eene zeer rijke goudader. 't Zij mij vergund met alle bescheidenheid te vragen wat dat met ‘karakter’ te maken heeft. Ook de volgende alineas ontsteken geen licht. Wel hooren we achtereenvolgens dat ‘karakter adelt’, dat het ‘hooger is dan verstand’, dat het ‘tegenovergesteld is aan uiterlijk’, dat het ‘meer waard is dan geld’. Met dat al hebben we nog niet vernomen wat karakter is. En wanneer we dan ten slotte in een volgende alinea lezen: ‘Elk’ karakter is zelfstandig enz, het wortelt in plichtbesef; dan wordt het ons groen en geel voor de oogen. Immers, hoe er naast de goede karakters ook slechte kunnen bestaan, wanneer ‘elk’ karakter in plichtbesef wortelt, is een ondoorgrondelijk mysterie.
Zoo blijft het onduidelijk wat het onderscheid is tusschen bezit en gemis van karakter. Wel worden aan het slot als eigenschappen van een ‘goed karakter’ opgesomd: welwillendheid, beleefdheid, bescheidenheid, dankbaarheid, tact, moed, vroolijkheid, geduld enz.
Naar aanleiding van den karaktertrek welwillendheid lezen we: ‘De ikheid van een dier is precies dezelfde als de ikheid van een mensch, het verschil bestaat alleen in de woning dier ikheid’. Deze woorden worden niet nader toegelicht. Uit niets blijkt dat de schrijver er over heeft nagedacht waarin de ikheid van een dier en waarin de ikheid van een mensch bestaat.

KIJK OOK EENS NAAR MIJN OVERIGE ADVERTENTIES